Kunst en Cultuur

Kunst en Cultuur

Opgelet, dit wordt geopend in een nieuw venster. AfdrukkenE-mail

Lokale gebruiken

Sam

1. (vergelijk Nederlands samen) Systeem van wederzijds hulpbetoon dat zijn basis vond in een sterk levend saamhorigheidsgevoel.
Spaarsysteem waarbij een bepaald aantal (meestal vrouwelijke) personen overeenkomen om gedurende een paar weken of maanden een bepaald bedrag te storten bij de sam-houdster. Het aantal malen dat wordt gestort is één meer dan het aantal deelneemsters. Volgens een van tevoren afgesproken volgorde krijgt iedere deelneemster het totaal gestorte bedrag van de week of maand. De sam-houdster krijgt echter de eerste pot, ook als zij zelf niet deelneemt. Is zij zelf deelneemster dan krijgt zij de pot twee keer.

2. Oud jongensspel: op een gevulde hand werd onder het uitroepen van ‘sam’ een klap gegeven; wat op de grond viel (snoep, knikkers) verwisselde van bezitter.

Lombrishi

Om een kind een lang leven te verzekeren diende de navelstreng (kabuy’e lombrishi) onder de deurpost van het ouderlijk huis begraven te worden. Deze gewoonte is in onbruik geraakt, ook al omdat de geboorte in steeds toenemende mate buiten het ouderlijk huis ging plaatsvinden. Om iemands plaats van herkomst aan te duiden gebruikt men de uitdrukking su lombrishi ta den / na (letterlijk zijn navel ligt begraven te). Er is hier echter sprake van een verdichting omdat niet zijn lombrishi (= navel) maar zijn kabuy’e lombrishi (= navelstreng) wordt bedoeld.

 

Sensia
Nog steeds bestaat het gebruik om wierook te branden om een huis en zijn bewoners voor onheil te behoeden. Dit gebeurt vooral op oudejaarsavond. Men gaat dan met de brandende wierook het hele huis door (sensia kas).

Shon
Shon (heer), oorspronkelijk de aanspreektitel van de meester in de slaventijd. Werd de slaaf altijd met zijn voornaam aangesproken, hij moest de meester, zijn familieleden en alle personen van diens sociale rang met shon aanspreken, meestal gevolgd door de voornaam. Later werd shon de aanspreektitel voor alle personen die men respecteert en als van hogere sociale rang erkent. De Gouverneur werd met Shon Grandi (grote heer) aangeduid

Kabuya di rèspèt

Kabuya di rèspèt is het touw dat als instrument voor lijfstraffen in de opvoeding werd gebruikt. In vroeger tijden was de opvoeding zeer streng en werd het touw veelvuldig gehanteerd. Tegenwoordig is men wel zachtaardiger in de methoden, maar in vele huizen kan men de kabuya als dreiging bij ongehoorzaamheid nog aantreffen.

 

Begrafenisgebruiken

De gebruiken rondom dood en begrafenis zijn zo talrijk, zo aan veranderingen onderhevig, dat het alleen mogelijk is deze in grove trekken weer te geven. Vast staat, dat zij alIeen voorkomen bij het negroïde volksdeel en dat zij snel aan het verdwijnen zijn. De stervende, voorzien van de laatste sacramenten, werd meestal omringd door familieleden, buren en kennissen, die vooral goed moesten luisteren naar zijn of haar laatste wensen. De wensen van een stervende en de beloften aan hem of haar gedaan, golden als iets heiligs. Wanneer hieraan niet zou worden voldaan, zou de dode geen rust vinden en zou zijn geest terug kunnen komen om de levenden aan te manen door hen aan de benen te trekken (e ta bin hala nan pía).

Wanneer de dood eenmaal was ingetreden, werd de labadó di morto besteld, die het lijk moest afleggen: een man kreeg zijn beste (trouw)kostuum aan, een vrouw haar bruidsjurk (morto na bruit) of het lijkkleed (mortaha). Nadat er vier kaarsen waren ontstoken (bela di morto), die overigens telkens werden vervangen door andere, die door familieleden waren meegebracht, vulde zich de lijkkamer met vrouwen die op luide toon bij de gestorvene weeklaagden en vaak  zijn of haar goede kwaliteiten verkondigden. Vroeger kwam het wel eens, voor dat tegen betaling gebruik werd gemaakt van de diensten van een professionele weeklaagster (yoradó di morto). Dit gebeurde wanneer er niet voldoende familieleden of kennissen aanwezig konden zijn en men de goegemeente toch ervan wilde overtuigen, dat de gestorvene diep betreurd werd.

Voordat de kist werd gesloten kon het wel eens voorkomen dat van de meest intieme verwanten de maat werd genomen met een stuk stof of met garen, dat in de kist - aan het voeteneinde - werd gelegd om te voorkomen, dat de gestorvene terug zou keren om zijn of haar meest geliefde mee te nemen. De gewoonte om in het doodskleed een speld te steken zou erop kunnen duiden dat men de geest in het lichaam wilde ‘vastpinnen’ zodat hij niet zou ronddwalen op zoek naar anderen. De aanwezigheid van een bakje met spelden (met een rond kopje) ten behoeve van aanwezigen zou hiervoor een indicatie kunnen zijn. Men zou deze daad ook kunnen beschouwen als een laatste vaarwel.

Het sein tot vertrek naar het kerkhof (santana) werd gegeven door de aanspreker (folester = verbastering van voorlezer), die zich tot voor kort nog bij voorkeur van het Nederlands bediende. De stoet naar kerk en kerkhof werd vroeger uitsluitend door mannen gevormd, de laatste tijd lopen ook vrouwen mee; hoe langer de stoet, hoe eervoller. Personen die gestorven waren zonder dat zij hun Pasen hadden gehouden - in de vastentijd werd de biechteling(e) geregistreerd - of die zelfmoord hadden gepleegd mochten niet op gewijde aarde worden begraven. Voor deze ‘snoodaards’ was er een apart plekje gereserveerd dat in de volksmond chiké (varkenskot) werd genoemd. Op de openbare, dus ongewijde, begraafplaats konden zij ook ter aarde worden besteld. Voor nabestaanden was het een grote schande indien een geliefde op één van die plaatsen werd begraven temeer omdat zij dan de status verhogende stoet hadden moeten missen.

Na de begrafenis was het gebruikelijk, dat naaste familieleden en meest intieme vrienden naar het sterfhuis terugkeerden, waar zij, nadat zij de handen hadden gewassen, werden onthaald op koffie, thee of rum. Van lieverlee is de term laba man (handen wassen) geprofaneerd tot het gebruiken van alcoholica zodat velen na de begrafenis in plaats van het sterfhuis een koffiehuis (in de volksmond snack) binnenlopen of daar gaan staan. Veel ouderen kenden aan het handen wassen behalve een hygiënische ook nog een symbolisch, religieus motief toe: zij wasten hun handen - evenals indertijd Pilatus - om aan te geven, dat zij niet verantwoordelijk waren voor het heengaan van de betreurde. Twee dagen na de begrafenis werd aangevangen met het bidden voor de zielerust van de overledene; hiervoor werd een provisorisch altaartje (altá) ingericht ten behoeve van de voorbidster (resadó) die - tegen vergoeding - gedurende acht dagen met de aanwezigen (hoofdzakelijk vrouwen) een rozenhoedje en de litanie van de Heilige Maagd bad. Ter afsluiting van de noveen werd een bijzondere ceremonie (ocho dia) gehouden waarvoor ook verre familieleden en vrienden werden uitgenodigd. Nadat alle aanwezigen met wijwater het kruisteken hadden gemaakt, werd met gebed begonnen waarbij ditmaal de volledige rozenkrans (15 geheimen) werd gebeden, gevolgd door de litanie, die vaak gezongen werd. Bij een gezongen ocho dia, ook wel yukán genoemd, berustte de regie bij de sakristán, over het algemeen een geacht persoon van middelbare leeftijd. Wanneer de hele ceremonie gezongen werd in een mengeling van Papiamentu, Spaans en Latijn - danig verhaspeld - sprak men van kanta salve. Gedurende de hele ceremonie werden aIle ramen aan de oostkant dichtgehouden; deze mochten pas geopend worden nadat de sakristán het altaar had ‘afgebroken’, alle aanwezigen hun stoel hadden omgekeerd en men zodoende ervan verzekerd was, dat de geest geen kans kreeg zich te verbergen maar de kamer ongestoord kon verlaten. Na de ceremonie werd men onthaald op koffie, rum, geitesoep en gebraad en kon men zich scharen rondom een echado of hinchado di kuenta, die zijn gehoor de rest van de nacht met zijn verhalen boeide.

Bron: Encyclopedie van de Nederlandse Antillen, Elis Juliana, Guia Etnologiko no. 2 (1977); N. van Meeteren, Volkskunde van Curaçao (1947, 1977); L.F, Triebels, Ocho dia of novena (1980).